Geel
Rood staat voor passie, blauw voor reflectie, groen voor levende natuur en geel voor de warme zon. Maar de kleur heeft ook een ander gezicht. Bij Van Gogh kom je beide kanten tegen.
Geel, daarover zijn kunstenaars, auradeskundigen en gediplomeerde psychologen het eens, staat voor leven, voor energie. Het is de kleur die meteen binnenkomt en dopamine verspreidt, het middel dat elke somberheid doet wegsmelten als sneeuw voor de zon. Dat was wat Vincent van Gogh naar het zuiden lokte: eerst van Brabant naar Parijs, vervolgens nog verder richting de zon, naar Arles. Met die beweging, van noord naar zuid, bewoog zijn palet zich van overwegend bruin – van de aardappeleters, de Belgische kolenmijnen en de Drentse akkers, naar overrompelend geel. Zonnebloemen, korenvelden, het gele huis met de beroemde slaapkamer: goudgeel als boter, zoals hij de kleur van de meubels zelf liefkozend noemde.
Vincent van Gogh, zonnebloemen (1889)
Geel is gelukkigmakend als de zon in februari. Dat zocht Van Gogh in het steeds diepere zuiden. Zonder al te veel overdrijving kun je zeggen dat die zoektocht hem maakte tot de wereldster die hij is. Met alleen de Boreage, Drenthe en Nuenen had hij dat niet gered.
Van Gogh wist dat ook. Hij wist dat er iets miste in die vroege schilderijen. Te somber, te zwaar. En toen hij de oplossing had gevonden raakte hij ervan bezeten. Daarvan getuigen zijn zonnebloemen, zeker vijf vazen vol. In een brief beschrijft hij ze als lichtbronnen, of kandelaars. Ook schijft hij hoe hij ervan droomt om zijn atelier met zonnebloemen te vullen.
Dat klinkt buitensporig en het had ook iets weg van een verslaving, die hem tot geweldige schilderijen dreef. Daarbij hielp dat de synthetische verfindustrie op gang kwam, met pigmenten als cadmium- en chroomgeel, die in meerdere tinten op de markt kwamen. Nog steeds getuigen zijn schilderijen van de manier waarop het geel bezit van hem nam, hoe hij ermee boetseerde en experimenteerde alsof zijn leven ervanaf hing. Korenvelden waarin een eindeloze schakering van geeltinten zo uitbundig om en over elkaar heenkrult dat je de neiging krijgt je trui uit te trekken. Zonnebloemen, meer en minder uitgebloeid, geel op geel op geel met lustige groengele harten, blakend van leven.
Vincent van Gogh korenveld met maaier en zon (1889)
Zonnebloemen zijn perfecte dragers van het zonlicht als levensbron maar geld speelde ook een rol. Van Gogh had gehoord dat tijdgenoot Adolphe Monticelli een modern boeket voor veel geld had verkocht en hoopte nu ook zelf met zijn boeketten flink te verdienen, mijmerend dat ‘een Schot of Amerikaan er misschien wel 500 francs voor over zou hebben’. Gele bloemen schilderen alleen was niet genoeg, dat wist hij ook. Je moest het waarmaken, ‘voldoende in vuur geraken om die goudkleuren en die bloementinten te harmoniëren’, schrijft hij in januari 1889 aan Theo, ‘dat kan de eerste de beste niet. Daarvoor is de energie en aandacht van een hele persoonlijkheid nodig’.
En hij maakte het waar. Op reproducties wordt dat vaak een beetje platgeslagen maar in het echt blijft het wonderbaarlijk om te zien hoe Van Gogh zijn effect van leven en warmte najoeg. Laag op laag, streek op streek, almaar voort in het oproepen van de hoogste noot, zoals hij het noemde: het schitterendste, meest sublieme geel. En zelfs in het echt krijg je vandaag niet meer helemaal het effect dat Van Gogh destijds bereikte. Zijn geliefde materiaal, chroomgeel, wordt donkerder door de tijd. Hij wist dat zelf en zag het gebeuren maar wist niet wat ertegen te doen.
Pierre Bonnard, l’Atelier au mimosa (1939-1946)
Edouard Manet De citroen (1880)
Mondriaan Duin (1) 1909
Van Gogh was niet de enige of de eerste en zeker niet de laatste kunstenaar die gehoor gaf aan de lokroep van de meest primaire van alle kleuren. Neem de schitterende uitzichten van Bonnard, de smeulende citroen van Manet, neem Turner met zijn bravourestukken vol verstrooid zonlicht op water. In het Van Goghmuseum is een heerlijke tentoonstelling gewijd aan het geel als de belichaming van het moderne levensgevoel, met een mooi geschakeerde verzameling schilderijen en voorwerpen. Zo hangt er ook een prachtige kleine Mondriaan uit het Haags Kunstmuseum, een van die schilderijtjes waarin Mondriaan liet zien hoe weinig hij nodig had voor een sfeer, een effect: Duin I (1909), een handvol horizontale verfstreken, geel, blauw en violet. Of het sprekende Een middag op het terras (1895) waarop de Italiaanse societyschilder Vittorio Matteo Corcos (1859-1933) zijn dochter en zoon schilderde, lezend en dromend in de zachte middagzon. De gele boekjes op de tafel voor het meisje vertellen dat zij een moderne, onafhankelijke persoonlijkheid was, die eigentijdse boeken las. Van Corcos kennen we nog een ander schilderij dat op boekomslagen en affiches tot het toonbeeld van die onafhankelijkheid en moderniteit is geworden, ook al zijn we de naam van de maker vaak vergeten. Ook daarop zit een jonge vrouw op een bankje nadenkend voor zich uit te kijken, hand onder de kin, met zo’n stapeltje gele boeken naast zich.
Vittorio Matteo Corcos Sogni (Dromen) 1896
Die associatie, zo bewijst de tentoonstelling, dateert uit Van Goghs tijd. Net als nu was geel erg hip, en ook daar verbond Vincent zich graag mee. Je had de gele pockets van de Franse uitgeverij Charpentier die ook in zijn schilderijen een paar keer opduiken. In die boeken ontvouwde de hedendaagse literatuur van Zola en Huysmans zich met felrealistische schetsen van het echte, rauwe leven. De mode van het gele omslag was zo aanstekelijk dat die zich als een lopend vuur over Europa verspreidde: in Engeland verscheen in 1894 het tijdschrift The Yellow Book met omslagen getekend door Aubrey Beardsley die speelden met schandaal en broeierige erotiek. Nog wat later ontstond in Italië het fenomeen van de zogeheten Libri Gialli, boekjes over misdaad en onderwereld. In al die publicaties stond de kleur voor dwars, anti-burgerlijk. Brutaal. Ook dat vond Van Gogh mooi.
Kleuren gaan verbindingen aan. Dan komt hun ware aard pas goed tevoorschijn. Dat geldt op een speciale manier voor geel, dat zelfs op kleurenwaaiers de neiging heeft uit het gelid te springen. Het is de kleur die onze hersenen als eerste registreren, minder als een kleur dan als een sensatie. Blauw en groen stellen zich bescheiden op, rood mengt zich geweldig met andere kleuren maar geel dringt voor. Je kunt het effect zelf observeren. Loop een willekeurig museum in en let op het geel. Neem het Puttertje van Carel Fabritius, nu de hoofdpersoon op de tentoonstelling Birds in het Mauritshuis: een likje geel op zijn veren, en voilà: het puttertje licht op en komt tot leven. In de grootste, meest overdonderende zon uit de kunst, die van Edvard Munch in Noorwegen, staat het geel tussen een regenboog van andere kleuren, uitmondend in een wit hart. Toch ervaar je ook de zon van Munch als geel.
Edvard Munch De Zon (1911)
Net als bij mensen is de manier waarop een kleur verbindingen aangaat, een uiting van zijn of haar karakter. Soms is dat karakter heel uitgesproken. Rood is vurig, blauw harmonisch. De context verandert daar niet zoveel aan. De mantel van de maagd Maria is blauw. Groen is al dubbelzinniger. Vandaag de dag is groen synoniem met goed, maar bepaalde varianten waren in de negentiende eeuw zo giftig dat mensen die ermee werkten, een vreselijke dood stierven.
Net als groen is geel een kleur om mee uit te kijken, en niet alleen op het niveau van de chemie. Ook het sociale gedrag van geel is, laten we zeggen, complex. Vertaald in menselijke termen zou je kunnen zeggen: geel is manipulatief. Het heeft twee gezichten, en die gezichten veranderen afhankelijk van de rest van het gezelschap in de kamer. In combinatie met blauw ontstaat de sfeer van Van Gogh en Ikea: vrolijk, optimistisch, modern. En kijk, daar trekt weer zo’n trein door het landschap, precies op tijd. ‘NS is geel geworden! Actief, krachtig, modern, opvallend, hip zelfs’, schreef het A.D. in hou je vast, 1968. Geel met blauw, het kan niet missen.
Maar zodra er iets van zwart zijn entree maakt, is het uitkijken geblazen. Dat begint al op een diep psychologisch niveau, van onze reflexen. Wespen zijn geel met zwart, net als de ogen van roofdieren en de boevenpakjes van de Daltons uit Lucky Luke.
Ook die associatie ligt zo diep dat hij een eigen spoor heeft getrokken in het taalgebruik. Geel is dan synoniem met schel, schril. Gevaar. Een gele kaart krijgen. Het is de kant waar ook de gele pockets gebruik van maakten: wat hier gebeurt zet je haren overeind.
Er waren tijden dat die associatie werd opgevat als bittere ernst. Het sterkste symbool daarvan is de gele mantel van Judas die Christus kust op een van de beroemdste fresco’s van de Italiaanse kunstenaar Giotto (1266-1337).
Giotto di Bondone, Arenakapel Padua de kus van Judas ca 1305
We verplaatsen ons even naar de Arenakapel in Padua, anno 1305. Op een van de vroegste en meteen meest aangrijpende voorstelling van het Judasverhaal uit de middeleeuwen zien we hoe Judas Jezus als het ware gijzelt in de volumineuze tent van zijn gele mantel terwijl hij zijn lippen tuit in een kus. Daarachter doemen de zwarte helmen al op, klaar om de heiland in te rekenen. Kus, helmen, speren en die grote gele mantel middenin de voorstelling. Voor waarnemers toen, die niets gewend waren aan visueel psychologisch raffinement, moet het effect van die combinatie van signalen overdonderend zijn geweest.
Als je het eenmaal weet, zie je het vaker: het verraad van Judas werd in de middeleeuwse kunst vaker geassocieerd met geel. Het was een kleur die stond voor onraad, in de ruimste zin van het woord. In tijden waarin gangbare kleding niet zo kleurig was, gold een geel accent door zijn hyperzichtbaarheid als stigmatiserend. Prostituees werden soms verplicht om geel te dragen. Niet per se omdat het opzichtig was. Felle kleuren waren duur, rijke jonkvrouwen droegen ze als ze zich die konden veroorloven. Goud, de overtreffende trap van geel was ook uitstekend, zeker in sieraden, maar geel werd gemeden. Iets van die associatie is nog voelbaar op het schilderij Avond (het bal) van de 19de-eeuwse Jacques Tissot op de tentoonstelling in het Van Goghmuseum: een jonge vrouw in een gele feestjurk, aan de arm van een oudere man.
James Tissot, Avond (het bal) 1878
Onraad. Wie zoekt, die vindt, ook in de moderne tijd. Gele hesjes! Tot voor helemaal niet zo lang geleden werd de uitdrukking ‘het gele gevaar’ nog makkelijk in de mond genomen voor Oost-Aziatische volkeren. Daal nog wat verder de trap af in de kelder van de grammatica van het geel en je stuit op de zwartomrande sterren die joodse mannen, vrouwen en kinderen op hun kleren moesten dragen.
Al deze gevallen tonen de andere kant van de blinkende medaille, die van het signaal: kijk uit. En zo vind je het in onze tijd nog steeds. Bordjes die moeten concurreren met de duizend andere signalen in het dagelijks verkeer – slipgevaar, afgrond, gevaarlijke stoffen, hoogspanning – zijn standaard zwart op geel. Hier wordt een beroep gedaan op de onderhuidse functie van deze combinatie in onze psychologie. Fluorescerend geel als de kleur die zich opdringt, brutaal en verstorend. Zwart als dat wat je wel voelt maar niet ziet. Twee ogen van een roofdier in de wildernis, die het op jou gemunt hebben.
Was Van Gogh zich bewust van die tegenkant? Jawel. Een enkele keer spreekt hij ook wel van ziekelijk geel. Iets van die associatie deelt zich af en toe mee in de manier waarop hij zijn omgeving vertolkte. Van Goghs jaren in Arles waren op het persoonlijke niveau niet zijn beste. Hij joeg schimmen na, droomde van dingen die niet uitkwamen, werd zenuwziek en opgenomen en bleef, na het mislukte bezoek van zijn vriend Gauguin, ontzettend eenzaam achter. Wie kent niet dat korenveld met die zwarte kraaien, opvliegend onder een zwartblauwe lucht? Sterk voelbaar is het ziekelijke geel in het schilderij De opwekking van Lazarus dat ook op de tentoonstelling in het Van Goghmuseum hangt. Van Gogh maakte het in de psychiatrische instelling waar hij was opgenomen wegens zenuwinzinking, in mei 1990. Zichzelf beeldde hij af met zijn oranje baardje, twee maanden voor zijn dood, als de gestorven Lazarus onder een geelwitte, brandende zon. De zon als helende kracht, zoals dit schilderij in het museum wordt geïnterpreteerd? Ik twijfel. Hier zijn de kleuren door de tijd verbleekt, waardoor het effect van al dat meedogenloze zonlicht zo mogelijk nog sterker is geworden.
Het gele huis dateert van twee jaar eerder, toen alles nog in orde was. ‘het is ontzagwekkend’ schreef hij aan Theo, ‘die gele huizen in de zon en dan de onvergelijkelijke helderheid van het blauw.’ Ook dat kunnen wij nog goed navoelen. Toch krijgt zelfs dat huis, met die blauwe lucht erboven, in het licht van de geschiedenis iets desolaats. Van Gogh droomde ervan dat het een ontmoetingsplaats zou worden voor gelijkgestemde kunstenaars. Wij weten hoe dat afliep. En zo kijken wij naar dat grote, gele, schaduwloos lege plein, beschenen door die ontzagwekkende zon.
Vincent van Gogh Het gele huis, 1888
Tentoonstelling Van Goghmuseum Amsterdam ‘Geel. Meer dan Van Goghs lievelingskleur’ t/m17 mei 2026
Vincent van Gogh, De Brieven, uitg. Het Huygens Instituut i.s.m. Van Goghmuseum, redactie Leo Jansen, Hans Luijten, Nienke Bakker online beschikbaar: https://www.huygens.knaw.nl/projecten/vincent-van-gogh-de-brieven/
:

