Leven op de muren, Toscane 1400-1500
Een decor, een gebruik, een gezicht: kunstwerken dragen soms verrassende restjes oude werkelijkheid in zich. In de Italiaanse kunst van de vijftiende eeuw is dat element sterk voelbaar.
Te beginnen met een oude herinnering: ik was twintig, in voorbereiding op de studie kunstgeschiedenis had ik een stapeltje boeken tot me genomen over Italië. De ‘quattrocento’, een woord waarvan ik net had geleerd dat het de vijftiende eeuw aanduidde, in Italië, meer specifiek in de regio Toscane, waar zo’n wonderbaarlijke concentratie van kunst in die periode ontstond. Ik las de Levens van de zestiende-eeuwse biograaf Vasari en bestudeerde de plaatjes vol wonderlijke taferelen, vaak tegen een paradijselijke achtergrond van een heuvelachtig landschap met stadjes en tuinen bestrooid met boompjes als in- en uitgeklapte donkergroene paraplu’s. Cipressen, leerde ik later.
Die zomer ging ik kamperen met mijn maatje in het snikhete Toscane, en wat me is bijgebleven is mijn intense verbazing over het landschap daar, dat zo verbluffend precies overeenkwam met die oude plaatjes. Heuvels, stadjes met torens – en cypressen als in- en uitgeklapte paraplu’s. Uitzichten door geschilderde ramen, uitkijkend op zo’n tuin of landschap, precies zoals je ze vandaag nog kunt vinden.
Die ervaring, die zelf ook alweer tot het verleden hoort, heeft mij nooit verlaten. Het feit dat schilderijen, fresco’s, voorstellingen van zeshonderd jaar geleden, nog zo dichtbij kunnen zijn. De nabijheid zit niet alleen in de landschappelijke achtergrond, ook de kamers, de pleinen, winkels en werkplaatsen, de kleren. Zelfs in de bezigheden zit soms een handeling, een detail waar je van in de lach schiet omdat het zo dichtbij komt .
Het is het element dat ik in een lezing in de Rode Hoed in 2018 aanduidde als ‘het belang van de bijzaak’, en in een latere lezing voor de Universiteit van Amsterdam als ‘heilige geestigheid’. De vrijheid die vooral Italiaanse kunstenaars namen om hun eigen wereld te verweven in de opdrachten voor voorname muurschilderingen en altaarstukken. En dan blijken de kleinste onbenulligheden soms van grote betekenis.
Die nabijheid is het meest uitgesproken kenmerk van de Italiaanse kunst tussen 1400 en 1500. In het noorden heb je het ook, al wat eerder zelfs, maar wat in Italië direct tot je komt is de alomtegenwoordigheid van het lichte, toegankelijke, soms bijna stripverhaalachtige van die oude taferelen. De bewaarde voorstellingen hebben bijna altijd een Bijbelse of anderszins ceremoniële betekenis, maar tot 1500 laten ze opmerkelijk veel ruimte voor allerlei geestig bijwerk, bedrijvigheid zonder enige functie behalve het vasthouden van de aandacht van de kijker: ons. Zo vertelt biograaf Vasari over een wandschildering door Domenico Ghirlandaio met het leven van de maagd Maria, waar ‘een vrouw die het kindje op haar arm draagt en het aan het lachen maakt door gezichten te trekken’.
Die ruimte hadden schilders blijkbaar, tussen de voorwaarden van de opdracht door. Van hen werd zelfs verwacht dat ze die oude verhalen vertaalden naar het nu: hun eigen, voor ons inmiddels ruim zeshonderd jaar oude nu. Vasari noemt de namen van allerlei eigentijdse mannen en vrouwen die Ghirlandaio zo geweldig wist te portretteren. Hen kennen we lang niet altijd meer, maar die fresco’s spreken voor ons nog steeds hun directe taal, ook al is de context vaak traditiegebonden.
Neem zo’n kerkvader in zijn studeerkamer. Vele, vele malen geschilderd door de Italiaanse meesters. De oude baardmans zit te lezen of te schrijven, tot zover niets bijzonders, maar het kamertje vertelt iets over hoe studeerkamers er in 1450 uitzagen: de boeken niet met de ruggen tegen elkaar maar uitgestald op een richel, het waren er immers nog maar weinig, de boekdrukkunst moest nog worden uitgevonden. Prachtig zijn de papieren snippers, pijltjes en vliegtuigjes zou je denken, aan de voeten van Botticelli’s heilige Augustinus, vandaag nog steeds te zien in de Uffizi in Florence. Een paar straten verderop hangt er nog een, van dezelfde Botticelli. In Augustinus’ tijd (345-430 na Christus) bestond papier net zomin als vliegtuigen, maar dat hinderde de schilder niet.
Botticelli schilderde ook een aantal scenes uit een verhaal over een huwelijk. De voorstellingen zijn sprookjesachtig vreemd maar de setting geeft een aardig beeld van hoe zo’n feest, gegeven door een rijke Florentijnse familie er uitzag. Die feesten waren deels openbaar, soms met optochten erbij, zodat de hele bevolking kon meegenieten.
Al die Florentijnse taferelen, de vergezichten en de interieurs maken het enorm verleidelijk om deze voorstellingen te ervaren als een spiegel op de werkelijkheid die ooit bestond. Wat je dan vergeet is dat ze destijds al bedoeld waren als een vorm van propaganda, niet anders dan de openbare feesten, de optochten en het vertoon van rijkdom en macht. En blijkbaar werkt de betovering nog steeds.
We weten ook, uit ander bronnen: de werkelijkheid van dag tot dag was anders. Het leven van die jonge mensen, zelfs de elite, was beperkt en bovendien gevaarlijk. De mannen zaten van jongsaf verstrikt in conflicten met naburige families en tussen de vorstendommetjes in het verdeelde Italië. Lorenzo, zoon van de opdrachtgever en geldschieter Giovanni Tornabuoni eindigde onder de hakbijl van de beul toen hij zich, tijdens de heerschappij van Savonarola, loyaal had opgesteld jegens de gevluchte Medici. De rechtspraak was grof en genadeloos zoals voorstellingen van grote historische gebeurtenissen nog laten zien.
En die prachtige jonge prinsessen die ons nog steeds zo betoveren op de oude fresco’s, zoals Giovanna degli Albizzi, geschilderd in de kapel van de familie Tornabuoni? Ghirlandaio schilderde haar als getuige van de Bijbelse ontmoeting van Elisabeth en Anna. Dat portret is gemaakt korte tijd na haar overlijden als hoogzwangere moeder van haar tweede kind. Nog geen twintig was ze.
Dat was een gangbaar toekomstperspectief van jonge vrouwen anno 1450: een op de vijf van hen stierf in het kraambed, om snel te worden vervangen door een nieuwe echtgenote. In de jaren die daaraan voorafgingen was de horizon van die meisjes grotendeels beperkt tot de kamers die hun waren gegund in het ouderlijk palazzo: burchtachtige gebouwen, spaarzaam gemeubileerd en hier en daar mooi beschilderd met olijfbomen en vrolijke motieven. Jonge dochters golden als kostbaar bezit waarmee families hun positie in de relaties tussen rivaliserende families versterkten en verzekerden. De contracten en de brieven rond die huwelijken getuigen van de enorme bedragen en de dichtgespijkerde contracten waarmee dergelijke huwelijken gepaard gingen.
En het gewone leven, van winkeliers, bouwvakkers en bedelaars waarmee de straten van een stad anno 1450 waren gevuld? Daarvan is hier en daar wel iets te vinden dat in de buurt komt van een vorm van realiteit. Net iets mooier, vriendelijker en opgeruimder dan de werkelijkheid natuurlijk. Op de straten was veel armoede en ellende. Maar de winkeltjes in de loggia van het Castello Challant komen vast in de buurt hun oorspronkelijke gedaante, anno 1400-1500. Een apotheek, een stoffenwinkel. Deze mensen leefden gewoon hun leven, net als de bouwvakkers, de vroedvrouwen en de magistraten die je af en toe op de oude fresco’s nog tegenkomt.
Mariette Haveman

